mei: Het zal wel aan de ouders liggen!?

Het zal wel aan de ouders liggen!?

Wanneer een kind of jongere probleemgedrag laat zien, wordt er door de omgeving vaak met de vinger naar de ouders gewezen. ‘Die ouders moeten dat kind eens opvoeden’ of ‘Geef dat kind vijf minuten aan mij dan voed ik hem wel even op’, is wat je vaak hoort. Ik ga niet zeggen dat het nooit aan de ouders ligt, maar in heel veel gevallen ligt het aan een combinatie van factoren en heeft het niet met de opvoeding te maken.

Gedrag dat anders is dan wij volwassenen wenselijk vinden, kan veroorzaakt worden door een ontwikkelingsstoornis zoals bijvoorbeeld ADHD, Autisme of Dyslexie. Deze stoornis zit in het kind, is aangeboren. De kinderen en jongeren met een ontwikkelingsstoornis beheersen niet de vaardigheden die ze nodig hebben om problemen waar ze in het dagelijks leven tegenaan lopen op te lossen. Het gedrag dat wij zien, is hun manier van proberen met het probleem om te gaan of hun manier van laten zien dat ze niet weten wat ze moeten doen.

Problemen met het gedrag kunnen ook worden veroorzaakt door een gedragsprobleem. Gedragsproblemen ontstaan door verschillende oorzaken, maar is niet aangeboren. In het ontstaan van gedragsproblemen spelen een aantal risico- en beschermende factoren een rol. Deze factoren hebben te maken met het kind zelf, het gezin waar een kind in opgroeit, traumatische ervaringen, de sociale steun die het kind uit de omgeving krijgt en ervaringen op school. Elk kind groeit op met een aantal beschermende- en risicofactoren in deze vijf categorieën. De verschillende factoren zijn van grote invloed op de ontwikkeling van het zelfbeeld, zelfcontrole, zelfhandhaving en zelfbeschikking van kinderen. Wanneer er meer risico- dan beschermende factoren een rol spelen in het leven van een kind, is de kans groter dat dit kind gedragsproblemen ontwikkelt.

 

Kindfactoren:

Dit zijn factoren die met het kind zelf te maken hebben. Elk kind wordt geboren met een bepaald temperament. Hoe moeilijker het temperament, hoe groter de riscofactor. Daarnaast spelen ook problemen tijdens de zwangerschap, bij de bevalling, de sekse, plaats in het gezin en de gezondheid van het kind een rol.

 

Factoren in het gezin:

In het ideale gezin zijn beide ouders en broertjes en zusjes fysiek en mentaal gezond. Het is een warm gezin waarin ouders de kinderen ondersteunen en realistische verwachtingen hebben van hun kinderen. De financiën zijn goed en het gezin woont in een mooi huis. Helaas zijn er gezinnen waar dit ideale plaatje niet voor geldt. Zeker in onze huidige economische situatie. Steeds meer gezinnen hebben te maken met financiële problemen. Dit heeft vaak zijn neerslag op de mentale gezondheid van één of beide ouders. En op de kinderen in het gezin.

 

Traumatische ervaringen:

Jammer genoeg zijn er kinderen die te maken krijgen met verlies. Dit kan zijn verlies door bijvoorbeeld ziekte en/of overlijden van een dierbare, maar ook scheiding van de ouders. Verlies heeft altijd een enorme impact op kinderen. Hoe de kinderen hiermee omgaan en hoe zij verder gaan, is afhankelijk van de sociale steun die zij krijgen. Staat de familie om het kind heen of heeft het vrienden waar hij of zij het verhaal kwijt kan?

 

Omgevingsfactoren:

Gezinnen maken deel uit van een sociaal netwerk zoals de buurt waarin zij wonen, familie en vrienden. Kinderen groeien op in dit sociale netwerk. Familie, vrienden en de buurt kunnen een positieve bijdrage leveren aan het opvoeden van kinderen. Gezinnen die, om welke reden dan ook in de problemen zitten, sluiten zich vaak af voor de omgeving. We spreken dan van een sociaal isolement. Dit heeft een negatief effect op de kinderen in dit gezin.

 

Schoolfactoren:

Kinderen brengen een groot deel van de week door op school. Scholen met een warm en positief klimaat op school en in de klas hebben een positieve invloed op de ontwikkeling van kinderen. Vooral voor kinderen met leer- en/of gedragsproblemen is een goede zorgstructuur in de school heel belangrijk.

Vooral bij jongens uiten de problemen zich in anti-sociaalgedrag. Dit kan zijn door op een grappige manier aandacht te trekken, maar ook door op een agressieve manier van zich af te bijten. Ouders, school en omgeving hebben last van dit gedrag. Met name bij meisjes is het probleem moeilijker te herkennen. Zij hebben voornamelijk zelf last van de problemen. We spreken dan van sociaal emotionele problemen. Zij krijgen bijvoorbeeld last van faalangst of ze hebben een laag zelfbeeld. In beide gevallen schreeuwt het kind of de jongere om hulp. Zij ervaren thuis, in de omgeving of op school een probleem, maar kunnen niet aangeven wat dat probleem is. Wanneer we deze schreeuw niet beantwoorden met hulp, worden de problemen steeds groter. De kans om op te groeien tot een evenwichtige volwassene met een kansrijke toekomst wordt steeds kleiner. Willen we kinderen en jongeren met gedragsproblemen een kansrijke toekomst bieden, moeten we achter het probleemgedrag kijken. Alleen wanneer we weten wat de oorzaak van het probleemgedrag is, kunnen we de juiste hulp bieden. Door alleen met de vinger naar de ouders te wijzen, doen we deze kinderen en jongeren ernstig te kort!